Deze uitspraken zijn niet zo simpel als ze lijken. Ik houd het kort en verwijs verder naar wetenschapsfilosofen als Midgley:
'Wetenschappelijke kennisvergaring' is vaak steno voor 'natuurwetenschappelijke kennisvergaring'.
Midgley is volgens wiki meer een ethicus dan een wetenschapsfilosoof. Zij kan denk ik niet gezien worden als iemand die per se een neutrale definitie geeft. Ze vertegenwoordigd volgens mij één bepaalde stroming binnen een wetenschapsfilosofisch debat.
Hoewel de striktheid en de precisie van de natuurwetenschappen door velen als een ideaal wordt gezien, is geslaagde reductie tot een natuurwetenschappelijke theorie niet noodzakelijk voor het wetenschappelijke karakter van een theorie. De wetenschappelijkheid van kennisvergaring wordt bepaald door de gebruikte methode en niet door het object van één van haar disciplines, zoals natuurkunde.
Hierachter schuilt een normatief ideaal, dat opkwam in de 17e eeuw: het verlangen om te komen tot een onbetwijfeld en door iedereen gedeeld fundament van kennis (begrijpelijk, gezien de godsdienstoorlogen enz.).
Wellicht, maar ik denk zeker niet dat dit het enige aanleiding was.
Dit leidde in de eerste plaats tot een definitie van 'redelijkheid' als 'datgene dat door iedereen met gezond verstand kan worden ingezien'.
In de tweede plaats leidde dit tot 'funderingsdenken': alleen datgene kan geloofd worden dat onmiddellijk inzichtelijk en aannemelijk is (bijv. dat ik een lichaam heb) of dat gebaseerd is op zulke onmiddelijke waarnemingen en conclusies (Descartes is het grote voorbeeld).
Descartes is meteen ook het grootste tegenvoorbeeld van dit soort denken, alles kon immers een illusie van een demoon zijn behalve zijn denken.
In deze beschrijving komt niet naar voren dat rationalisme (redelijkheid) en empirisme (funderingsdenken) gedurende lange tijd lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan. Het lijkt me niet juist om twee verschillende visies te presenteren als kenmerkend voor één manier van denken. En bedenk dat de wetenschap onze kennis enorm heeft uitgebreid met dingen die mensen nooit direct ervaren (DNA, zwarte gaten, evolutie) of zelfs die niet redelijk lijken (relativiteit, QM).
Samengevat: alleen datgene kan worden geloofd dat is gebaseerd op een (universeel) 'redelijk' fundament.
Lijkt me een onjuiste samenvatting en bovendien gebruik je hier geloven waar het eigenlijk over weten ging.
Nu, in elk kennistheoretisch werk kun je vinden dat het funderingsdenken inmiddels achterhaald is.
Ligt er een beetje aan wat je ermee bedoelt.
Zelfs Philipse (om hem nog maar eens te noemen) geeft dit toe, al doet hij dat pas nadat hij eerst een funderingsdenken-redenering heeft losgelaten op het geloof in God. Ook hier spreekt hij zichzelf dus tegen. Funderingsdenken is failliet: het blijkt niet mogelijk om onze levensbeschouwelijke overtuigingen te baseren op universeel 'redelijke' fundamenten.
Wat heeft een levensbeschouwelijke overtuiging te maken met wetenschap?
Iets daarvan is wel doorgedrongen bij westerse denkers. Vandaar dat 'redelijkheid' nu zo nauw wordt verbonden aan natuurwetenschappelijke kennis. Natuurwetenschappen zijn de enige wetenschappen waarbij een vorm van universele conclusies kan worden bereikt. Begrijpelijk genoeg dat we daarom geneigd zijn deze wetenschappen (en dan vooral de 'hardste', dus de natuurkunde en scheikunde) als model te zien voor alle andere. Immers, bij vrijwel alle andere wetenschappen zijn er grote verschillen in opinies, interpretaties, scholen en tradities. Maar het is belangrijk om te zien dat niets ons dwingt tot het aanvaarden van het natuurwetenschappelijk model buiten de natuurkunde zelf, behalve het eerder genoemde normatieve ideaal van universele fundamenten van kennis.
De natuurkunde doet geen uitspraken over de universele fundamenten van kennis, maar over de fundamenten van het universum.
Een filosoof doet vervolgens uitspraken over wat geldt als kennis.
Het is dus niet de natuurkunde, zoals je lijkt te stellen, die impliciet of expliciet voorschrijft wat als geldige kennis kan gelden wat vervolgens gaat gelden als axioma waaraan hogere theorieen hun geldigheid ontlenen.
De wetenschappelijke methode stelt voor alle wetenschappelijke diciplines bepaalde spelregels op.
Gezien de noodzaak tot consistentie in het totaal van theorieen is het gewenst wanneer hogere theorieen gereduceerd kunnen worden naar lagere, meer fundamentele theorieen.
Dit zegt echter nog niet dat de hogere theorieen geen zeggeningskracht zouden hebben. Deze theorieen verliezen niets aan theoretische expressie wanneer ze reduceerbaar zijn.
Maw: wetenschap maakt ons niet blind voor kennis dat er 'eigenlijk' wel was maar verloren is gegaan door deze manier van kijken.
De universele conclusies van de natuurkunde worden vooral bereikt door het domein van onderzoekbare kennis zeer sterk af te bakenen en methodologisch strikte afspraken te maken. Zo wordt de activiteit van een God bij voorbaat methodisch (niet ontologisch) uitgesloten.
In de moderne wetenschap wordt God niet methodologisch uitgesloten. Uitgangspunt is slechts dat een theorie met waarnemingen gestaafd moeten kunnen worden. Wat men niet doet is a-priori aannemen dat een onwaarneembare God een verschijnsel verklaart.
[quote]Deze uitspraken zijn niet zo simpel als ze lijken. Ik houd het kort en verwijs verder naar wetenschapsfilosofen als Midgley:
'Wetenschappelijke kennisvergaring' is vaak steno voor 'natuurwetenschappelijke kennisvergaring'.[/quote]
Midgley is volgens wiki meer een ethicus dan een wetenschapsfilosoof. Zij kan denk ik niet gezien worden als iemand die per se een neutrale definitie geeft. Ze vertegenwoordigd volgens mij één bepaalde stroming binnen een wetenschapsfilosofisch debat.
Hoewel de striktheid en de precisie van de natuurwetenschappen door velen als een ideaal wordt gezien, is geslaagde reductie tot een natuurwetenschappelijke theorie niet noodzakelijk voor het wetenschappelijke karakter van een theorie. De wetenschappelijkheid van kennisvergaring wordt bepaald door de gebruikte methode en niet door het object van één van haar disciplines, zoals natuurkunde.
[quote]Hierachter schuilt een normatief ideaal, dat opkwam in de 17e eeuw: het verlangen om te komen tot een onbetwijfeld en door iedereen gedeeld fundament van kennis (begrijpelijk, gezien de godsdienstoorlogen enz.).[/quote]Wellicht, maar ik denk zeker niet dat dit het enige aanleiding was.
[quote]Dit leidde in de eerste plaats tot een definitie van 'redelijkheid' als 'datgene dat door iedereen met gezond verstand kan worden ingezien'.
In de tweede plaats leidde dit tot 'funderingsdenken': alleen datgene kan geloofd worden dat onmiddellijk inzichtelijk en aannemelijk is (bijv. dat ik een lichaam heb) of dat gebaseerd is op zulke onmiddelijke waarnemingen en conclusies (Descartes is het grote voorbeeld).[/quote]Descartes is meteen ook het grootste tegenvoorbeeld van dit soort denken, alles kon immers een illusie van een demoon zijn behalve zijn denken.
In deze beschrijving komt niet naar voren dat rationalisme (redelijkheid) en empirisme (funderingsdenken) gedurende lange tijd lijnrecht tegenover elkaar hebben gestaan. Het lijkt me niet juist om twee verschillende visies te presenteren als kenmerkend voor één manier van denken. En bedenk dat de wetenschap onze kennis enorm heeft uitgebreid met dingen die mensen nooit direct ervaren (DNA, zwarte gaten, evolutie) of zelfs die niet redelijk lijken (relativiteit, QM).
[quote]Samengevat: alleen datgene kan worden geloofd dat is gebaseerd op een (universeel) 'redelijk' fundament.[/quote]Lijkt me een onjuiste samenvatting en bovendien gebruik je hier geloven waar het eigenlijk over weten ging.
[quote]Nu, in elk kennistheoretisch werk kun je vinden dat het funderingsdenken inmiddels achterhaald is.[/quote]Ligt er een beetje aan wat je ermee bedoelt.
[quote]Zelfs Philipse (om hem nog maar eens te noemen) geeft dit toe, al doet hij dat pas nadat hij eerst een funderingsdenken-redenering heeft losgelaten op het geloof in God. Ook hier spreekt hij zichzelf dus tegen. Funderingsdenken is failliet: het blijkt niet mogelijk om onze levensbeschouwelijke overtuigingen te baseren op universeel 'redelijke' fundamenten.[/quote] Wat heeft een levensbeschouwelijke overtuiging te maken met wetenschap?
[quote]Iets daarvan is wel doorgedrongen bij westerse denkers. Vandaar dat 'redelijkheid' nu zo nauw wordt verbonden aan natuurwetenschappelijke kennis. Natuurwetenschappen zijn de enige wetenschappen waarbij een vorm van universele conclusies kan worden bereikt. Begrijpelijk genoeg dat we daarom geneigd zijn deze wetenschappen (en dan vooral de 'hardste', dus de natuurkunde en scheikunde) als model te zien voor alle andere. Immers, bij vrijwel alle andere wetenschappen zijn er grote verschillen in opinies, interpretaties, scholen en tradities. Maar het is belangrijk om te zien dat niets ons dwingt tot het aanvaarden van het natuurwetenschappelijk model buiten de natuurkunde zelf, behalve het eerder genoemde normatieve ideaal van universele fundamenten van kennis.[/quote]
De natuurkunde doet geen uitspraken over de universele fundamenten van kennis, maar over de fundamenten van het universum.
Een filosoof doet vervolgens uitspraken over wat geldt als kennis.
Het is dus niet de natuurkunde, zoals je lijkt te stellen, die impliciet of expliciet voorschrijft wat als geldige kennis kan gelden wat vervolgens gaat gelden als axioma waaraan hogere theorieen hun geldigheid ontlenen.
De wetenschappelijke methode stelt voor alle wetenschappelijke diciplines bepaalde spelregels op.
Gezien de noodzaak tot consistentie in het totaal van theorieen is het gewenst wanneer hogere theorieen gereduceerd kunnen worden naar lagere, meer fundamentele theorieen.
Dit zegt echter nog niet dat de hogere theorieen geen zeggeningskracht zouden hebben. Deze theorieen verliezen niets aan theoretische expressie wanneer ze reduceerbaar zijn.
Maw: wetenschap maakt ons niet blind voor kennis dat er 'eigenlijk' wel was maar verloren is gegaan door deze manier van kijken.
[quote]De universele conclusies van de natuurkunde worden vooral bereikt door het domein van onderzoekbare kennis zeer sterk af te bakenen en methodologisch strikte afspraken te maken. Zo wordt de activiteit van een God bij voorbaat methodisch (niet ontologisch) uitgesloten.[/quote] In de moderne wetenschap wordt God niet methodologisch uitgesloten. Uitgangspunt is slechts dat een theorie met waarnemingen gestaafd moeten kunnen worden. Wat men niet doet is a-priori aannemen dat een onwaarneembare God een verschijnsel verklaart.