door Klintersaas » di 30 jun 2009, 17:42
Deel II
1. Inleiding
1) De volgende bewering is correct:
- Een samengestelde stof is een mengsel van enkelvoudige stoffen.
- Een element is een enkelvoudige stof.
- Een samengestelde stof kan gescheiden worden in enkelvoudige stoffen door destillatie.
- Een element is een verzameling atomen met zelfde atoomnummer.
Verborgen inhoud
Antwoord D.
2) Van een metaal M met atoommassa 60 reageert 60 g met 24 g zuurstof O met atoommassa 16 en vormt een oxide. De formule van het oxide is dan:
\(\mbox{M}_2\mbox{O}\)
\(\mbox{M}_2\mbox{O}_3\)
\(\mbox{M}_3\mbox{O}_2\)
\(\mbox{M}_5\mbox{O}_2\)
[/b][/i]
Verborgen inhoud
Antwoord B.
3) De volgende verbindingen worden gebruikt als meststof om planten de nodige stikstof te leveren. Gegeven zijn de atoommassa's C = 12,0; H = 1,00; N = 14,0; O = 16,0 en K = 39,0. Welke meststof bevat het meeste stikstof in verhouding tot haar massa?
- ureum:
\(\mbox{CO(NH}_2\mbox{)}_2\)
- ammoniumnitraat:
\(\mbox{NH}_4\mbox{NO}_3\)
- guanidine:
\(\mbox{HNC(NH_2)}_2\)
- kaliumnitraat:
\(\mbox{KNO}_3\)
[/b][/i]
Verborgen inhoud
Antwoord C.
4) De volgende benamingen zijn juist, beoordeel de formule:
- ammoniumsulfide:
\(\mbox{(NH_4)}_2\mbox{SO}_3\)
- calciumfosfaat:
\(\mbox{Ca}_3\mbox{(PO_4)}_2\)
- chroom(III)oxide:
\(\mbox{CrO}_3\)
- natriumhypochloriet
\(\mbox{NaClO}_4\)
[/b][/i]
Verborgen inhoud
Antwoord B.
2. Stoechiometrie
5) De volgende getallen geven, juist afgerond tot op drie betekenisvolle cijfers, het getal 0,216:
- 0,21674
- 0,21650
- 0,21655
- 0,21645
Verborgen inhoud
Het voorgestelde antwoord is B, met als verklaring dat wanneer het laatste cijfer een 5 is, er naar het even getal wordt afgerond. Volgens de standaard afrondingsregels hoort een cijfer echter met één verhoogd te worden indien het volgende cijfer een 5 is.
6) Welk resultaat van de volgende berekeningen is gegeven met het juiste aantal betekenisvolle cijfers?
\(3,021 + 8,99 = 12,011\)
\(12,7 - 1,83 = 10,87\)
\(6,345 \cdot 2,2 = 13,959\)
\(\left(\frac{26,14}{37,62 \cdot 10^8}\right) \cdot 4,38 \cdot 10^{-2} = ((26,14/37,62 \cdot 10^8)) \cdot (4,38 \cdot 10^{-2})\)
[/b][/i]
Verborgen inhoud
Antwoord D. Ik vind het echter een vreemde opgave, omdat er voor zover ik kan zien niets "berekend" wordt bij D.
7) Fosfortrichloride \(\mbox{PCl}_3\) reageert met water en vormt fosforigzuur \(\mbox{H}_3\mbox{PO}_3\). Gegeven zijn de atoommassa's Cl = 35,5; H = 1,00; O = 16,0 en P = 31,0. Het maximum aantal mol fosforigzuur dat kan gevormd worden als 13,5 g water met een overmaat fosfortrichloride reageert, is:
- 0,250
- 0,500
- 0,750
- 4,500
Verborgen inhoud
Antwoord A.
8) Vertrekkend van een mengsel van een mol waterstofgas en een mol jooddamp, blijft er na t seconden nog 0,8 mol waterstofgas over. Het aantal mol waterstofjodide gevormd na t seconden is dan:
- 0,2
- 0,4
- 0,8
- 1,6
Verborgen inhoud
Antwoord B.
9) 100 g kaliumwaterstofcarbonaat (\(\mbox{KHCO}_3\)) wordt verhit tot constante massa. Het residu weegt 69 g. Gegeven zijn de atoommassa's K = 39,0; H = 1,00; C = 12,0; O = 16,0. De reactievergelijking van deze ontbinding is dan:
\(2\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{CO}_3(v) + \mbox{CO}_2(g) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g)\)
\(\mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{KOH}(v) + \mbox{CO}_2(g)\)
\(4\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{O}(v) + 2\ \mbox{KOH}(v) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g) + 4\ \mbox{CO}_2(g)\)
\(2\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{O}(v) + 2\ \mbox{CO}_2(g) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g)\)
[/b][/i]
Verborgen inhoud
Antwoord A.
10) Je moet een patiënt 1,00 mol glucose-infuus toedienen en je hebt daarvoor een oplossing die massafractie ω = 5,00% glucose (\(\mbox{C}_6\mbox{H}_{12}\mbox{O}_6\)) bevat en als dichtheid ρ = 1,00 g per mL heeft. Gegeven zijn de atoommassa's H = 1,00; C = 12,0; O = 16,0. Hoeveel mL van deze oplossing moet je toedienen?
- 3600 mL
- 1800 mL
- 900 mL
- 450 mL
Verborgen inhoud
Antwoord A.
Ik heb nog zeven gelijkaardige opgaven, maar daarvan ontbreken de modelantwoorden. Ik zal ze misschien achteraf alsnog plaatsen. Er volgen ook nog opgaven op atoomstructuur en periodiek systeem, chemische bindingen, chemische reacties, chemische kinetiek, chemisch evenwicht, zuren en basen en elektrochemie.
[size=85][b]Deel II[/b][/size]
[b]1. Inleiding[/b]
[i]1) De volgende bewering is correct:
[b][list=A]
[*]Een samengestelde stof is een mengsel van enkelvoudige stoffen.
[*]Een element is een enkelvoudige stof.
[*]Een samengestelde stof kan gescheiden worden in enkelvoudige stoffen door destillatie.
[*]Een element is een verzameling atomen met zelfde atoomnummer.
[/list][/b][/i][hide]Antwoord D.[/hide]
[i]2) Van een metaal M met atoommassa 60 reageert 60 g met 24 g zuurstof O met atoommassa 16 en vormt een oxide. De formule van het oxide is dan:
[b][list=A]
[*][tex]\mbox{M}_2\mbox{O}[/tex]
[*][tex]\mbox{M}_2\mbox{O}_3[/tex]
[*][tex]\mbox{M}_3\mbox{O}_2[/tex]
[*][tex]\mbox{M}_5\mbox{O}_2[/tex]
[/list][/b][/i][hide]Antwoord B.[/hide]
[i]3) De volgende verbindingen worden gebruikt als meststof om planten de nodige stikstof te leveren. Gegeven zijn de atoommassa's C = 12,0; H = 1,00; N = 14,0; O = 16,0 en K = 39,0. Welke meststof bevat het meeste stikstof in verhouding tot haar massa?
[b][list=A]
[*]ureum: [tex]\mbox{CO(NH}_2\mbox{)}_2[/tex]
[*]ammoniumnitraat: [tex]\mbox{NH}_4\mbox{NO}_3[/tex]
[*]guanidine: [tex]\mbox{HNC(NH_2)}_2[/tex]
[*]kaliumnitraat: [tex]\mbox{KNO}_3[/tex]
[/list][/b][/i][hide]Antwoord C.[/hide]
[i]4) De volgende benamingen zijn juist, beoordeel de formule:
[b][list=A]
[*]ammoniumsulfide: [tex]\mbox{(NH_4)}_2\mbox{SO}_3[/tex]
[*]calciumfosfaat: [tex]\mbox{Ca}_3\mbox{(PO_4)}_2[/tex]
[*]chroom(III)oxide: [tex]\mbox{CrO}_3[/tex]
[*]natriumhypochloriet [tex]\mbox{NaClO}_4[/tex]
[/list][/b][/i][hide]Antwoord B.[/hide]
[b]2. Stoechiometrie[/b]
[i]5) De volgende getallen geven, juist afgerond tot op drie betekenisvolle cijfers, het getal 0,216:
[b][list=A]
[*]0,21674
[*]0,21650
[*]0,21655
[*]0,21645
[/list][/b][/i][hide]Het voorgestelde antwoord is B, met als verklaring dat wanneer het laatste cijfer een 5 is, er naar het even getal wordt afgerond. Volgens de standaard afrondingsregels hoort een cijfer echter met één verhoogd te worden indien het volgende cijfer een 5 is.[/hide]
[i]6) Welk resultaat van de volgende berekeningen is gegeven met het juiste aantal betekenisvolle cijfers?
[b][list=A]
[*][tex]3,021 + 8,99 = 12,011[/tex]
[*][tex]12,7 - 1,83 = 10,87[/tex]
[*][tex]6,345 \cdot 2,2 = 13,959[/tex]
[*][tex]\left(\frac{26,14}{37,62 \cdot 10^8}\right) \cdot 4,38 \cdot 10^{-2} = ((26,14/37,62 \cdot 10^8)) \cdot (4,38 \cdot 10^{-2})[/tex]
[/list][/b][/i][hide]Antwoord D. Ik vind het echter een vreemde opgave, omdat er voor zover ik kan zien niets "berekend" wordt bij D.[/hide]
[i]7) Fosfortrichloride [itex]\mbox{PCl}_3[/itex] reageert met water en vormt fosforigzuur [itex]\mbox{H}_3\mbox{PO}_3[/itex]. Gegeven zijn de atoommassa's Cl = 35,5; H = 1,00; O = 16,0 en P = 31,0. Het maximum aantal mol fosforigzuur dat kan gevormd worden als 13,5 g water met een overmaat fosfortrichloride reageert, is:
[b][list=A]
[*]0,250
[*]0,500
[*]0,750
[*]4,500
[/list][/b][/i][hide]Antwoord A.[/hide]
[i]8) Vertrekkend van een mengsel van een mol waterstofgas en een mol jooddamp, blijft er na t seconden nog 0,8 mol waterstofgas over. Het aantal mol waterstofjodide gevormd na t seconden is dan:
[b][list=A]
[*]0,2
[*]0,4
[*]0,8
[*]1,6
[/list][/b][/i][hide]Antwoord B.[/hide]
[i]9) 100 g kaliumwaterstofcarbonaat ([itex]\mbox{KHCO}_3[/itex]) wordt verhit tot constante massa. Het residu weegt 69 g. Gegeven zijn de atoommassa's K = 39,0; H = 1,00; C = 12,0; O = 16,0. De reactievergelijking van deze ontbinding is dan:
[b][list=A]
[*][tex]2\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{CO}_3(v) + \mbox{CO}_2(g) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g)[/tex]
[*][tex]\mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{KOH}(v) + \mbox{CO}_2(g)[/tex]
[*][tex]4\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{O}(v) + 2\ \mbox{KOH}(v) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g) + 4\ \mbox{CO}_2(g)[/tex]
[*][tex]2\ \mbox{KHCO}_3(v) \longrightarrow \mbox{K}_2\mbox{O}(v) + 2\ \mbox{CO}_2(g) + \mbox{H_2}\mbox{O}(g)[/tex]
[/list][/b][/i][hide]Antwoord A.[/hide]
[i]10) Je moet een patiënt 1,00 mol glucose-infuus toedienen en je hebt daarvoor een oplossing die massafractie ω = 5,00% glucose ([itex]\mbox{C}_6\mbox{H}_{12}\mbox{O}_6[/itex]) bevat en als dichtheid ρ = 1,00 g per mL heeft. Gegeven zijn de atoommassa's H = 1,00; C = 12,0; O = 16,0. Hoeveel mL van deze oplossing moet je toedienen?
[b][list=A]
[*]3600 mL
[*]1800 mL
[*]900 mL
[*]450 mL
[/list][/b][/i][hide]Antwoord A.[/hide]
Ik heb nog zeven gelijkaardige opgaven, maar daarvan ontbreken de modelantwoorden. Ik zal ze misschien achteraf alsnog plaatsen. Er volgen ook nog opgaven op atoomstructuur en periodiek systeem, chemische bindingen, chemische reacties, chemische kinetiek, chemisch evenwicht, zuren en basen en elektrochemie.