door Gdhmndr » wo 06 okt 2010, 09:45
Valē,
De klemtoonplaats in het Latijn is inderdaad afhankelijk van de klinkerlengte/lettergreeplengte van de voorlaatste lettergreep, maar daarmee blijft de lengte van niet beklemtoonde lettergrepen uit beeld; zo is de E in Carthāgine kort, terwijl die in pulchrē juist lang is.
Om de lengte van de klinkers in lettergrepen te bepalen/na te trekken moet je daarom een (goed) woordenboek raadplegen.
Ik heb dat voor jouw zin gedaan en dan ziet het er zo uit:
Cēterum cēnseō Carthāginem dēlendam esse.
Klinkers zonder macron [ˉ] zijn in deze zin kort, maar die heb ik niet van een breve [˘] voorzien.
Je kunt nu de uitspraak wel ongeveer raden, maar een voorbehoud is op zijn plaats;
er bestaat vanuit de poëzie aanwijzing dat bepaalde klankcombinaties nasaal werden uitgesproken.
Vooral klinkers voor de combinatie -ns werden nasaal uitgesproken, maar waarschijnlijk ook de combinaties -am, -em, -um aan het eind van woorden die door een woord dat met een klinker begon, gevolgd werden.
Zo zou pulchrum est waarschijnlijk uitgesproken zijn als pulk(h)rũst, waarbij de circumflex op de U de nasaliteit aangeeft.
Mogelijk heeft de zin dan ongeveer als volgt geklonken:
ke:teroem kẽ:seo: Kartha:ginem de:lendãs:e (de dubbele punt achter een letterteken duidt erop dat die klank langer aangehouden wordt en een komma voor een lettergreep geeft de beklemtoonde lettergreep aan).
Sommige taalgeleerden nemen overigens aan dat het Latijn tevens een toontaal was, maar daarover bestaat onenigheid, omdat de Romeinen die in der tijd opmerkingen maakten over de klanken van hun eigen taal, terminologie gebruikten die afgeleid was van die welke Grieken gebruikten voor het beschrijven van hún eigen taal, die met zekerheid een toontaal was; het is dus onduidelijk of de Romeinen de feitelijke toestand beschreven of dat zich bedienden van eigenlijk niet juiste terminologie.
Valē,
De klemtoonplaats in het Latijn is inderdaad afhankelijk van de klinkerlengte/lettergreeplengte van de voorlaatste lettergreep, maar daarmee blijft de lengte van niet beklemtoonde lettergrepen uit beeld; zo is de E in Carthāgine kort, terwijl die in pulchrē juist lang is.
Om de lengte van de klinkers in lettergrepen te bepalen/na te trekken moet je daarom een (goed) woordenboek raadplegen.
Ik heb dat voor jouw zin gedaan en dan ziet het er zo uit:
Cēterum cēnseō Carthāginem dēlendam esse.
Klinkers zonder macron [ˉ] zijn in deze zin kort, maar die heb ik niet van een breve [˘] voorzien.
Je kunt nu de uitspraak wel ongeveer raden, maar een voorbehoud is op zijn plaats;
er bestaat vanuit de poëzie aanwijzing dat bepaalde klankcombinaties nasaal werden uitgesproken.
Vooral klinkers voor de combinatie -ns werden nasaal uitgesproken, maar waarschijnlijk ook de combinaties -am, -em, -um aan het eind van woorden die door een woord dat met een klinker begon, gevolgd werden.
Zo zou pulchrum est waarschijnlijk uitgesproken zijn als pulk(h)rũst, waarbij de circumflex op de U de nasaliteit aangeeft.
Mogelijk heeft de zin dan ongeveer als volgt geklonken:
ke:teroem kẽ:seo: Kartha:ginem de:lendãs:e (de dubbele punt achter een letterteken duidt erop dat die klank langer aangehouden wordt en een komma voor een lettergreep geeft de beklemtoonde lettergreep aan).
Sommige taalgeleerden nemen overigens aan dat het Latijn tevens een toontaal was, maar daarover bestaat onenigheid, omdat de Romeinen die in der tijd opmerkingen maakten over de klanken van hun eigen taal, terminologie gebruikten die afgeleid was van die welke Grieken gebruikten voor het beschrijven van hún eigen taal, die met zekerheid een toontaal was; het is dus onduidelijk of de Romeinen de feitelijke toestand beschreven of dat zich bedienden van eigenlijk niet juiste terminologie.