HosteMaxime schreef:Toon aan: tan(Π/4) - sin2(Π-a) = cos2(a)
tan(Π/4) - sin2(Π - a) = 1 - sin2(a) = cos2(a)
Je oefening is juist, maar je schrijft je bewijs inderdaad wat raar op. Als je met het bovenstaande bedoeld dat
\(\tan \left(\frac{\pi}{4}\right) - \sin ^2 (\pi - \alpha) = 1 - \sin ^2 (\pi - \alpha) = \cos ^2 (\pi - \alpha) = \cos ^2 ( \alpha)\)
. Dit kan je tijdens je test altijd controleren als je je GRM mag gebruiken.
Wordt de uitstroomsnelheid vier keer zo groot, dan heb je inderdaad een verandering van amplitude.
\(a_2 = 4a_1 = 250 \cdot 4 = 1000\)
Dit heb je correct.
Als de frequentie verdubbelt (groter wordt), gaat je hart sneller slaan. De tijd tussen opeenvolgende slagen wordt kleiner. De periode wordt dus kleiner, want de periode is de tijd tussen twee gelijke punten op je sinusoïde. We vinden dus:
\(p_2 = \frac{1}{2}p_1 = \frac{1}{2} \cdot 1 = \frac{1}{2}\)
Voor de waarde van b vinden we dan:
\(b_2 = \frac{2 \cdot \pi}{p_2} = 4 \pi\)
De waarde van b verdubbelt inderdaad, ook dat heb je juist. Het antwoord is dus volgens mij ook B.
Laat weten als je nog vragen hebt of als je iets niet snapt. Je mag gerust hier nog posten (zolang het over goniometrie blijft gaan). Bij vraag 2 vind ik het wel bizar dat ik iets anders uitkom dan jij en de andere forumleden. Misschien ligt het wel aan mijn rekenmachine, maar reken het misschien best toch maar even na. Oefening 5 kijk ik mogelijks morgen naar.
Wat zeggen de antwoorden achteraan je boek? Van deze oefeningen? Of staan er geen antwoorden bij deze oefeningen?
Denis
[quote='HosteMaxime' post='661713' date='20 March 2011, 13:14'][i]Toon aan: tan(Π/4) - sin[sup]2[/sup](Π-a) = cos[sup]2[/sup](a)[/i]
tan(Π/4) - sin[sup]2[/sup](Π - a) = 1 - sin[sup]2[/sup](a) = cos[sup]2[/sup](a)[/quote]
Je oefening is juist, maar je schrijft je bewijs inderdaad wat raar op. Als je met het bovenstaande bedoeld dat
[tex]\tan \left(\frac{\pi}{4}\right) - \sin ^2 (\pi - \alpha) = 1 - \sin ^2 (\pi - \alpha) = \cos ^2 (\pi - \alpha) = \cos ^2 ( \alpha)[/tex]. Dit kan je tijdens je test altijd controleren als je je GRM mag gebruiken.
Wordt de uitstroomsnelheid vier keer zo groot, dan heb je inderdaad een verandering van amplitude.
[tex]a_2 = 4a_1 = 250 \cdot 4 = 1000[/tex]
Dit heb je correct.
Als de frequentie verdubbelt (groter wordt), gaat je hart sneller slaan. De tijd tussen opeenvolgende slagen wordt kleiner. De periode wordt dus kleiner, want de periode is de tijd tussen twee gelijke punten op je sinusoïde. We vinden dus:
[tex]p_2 = \frac{1}{2}p_1 = \frac{1}{2} \cdot 1 = \frac{1}{2}[/tex]
Voor de waarde van b vinden we dan:
[tex]b_2 = \frac{2 \cdot \pi}{p_2} = 4 \pi[/tex]
De waarde van b verdubbelt inderdaad, ook dat heb je juist. Het antwoord is dus volgens mij ook B.
Laat weten als je nog vragen hebt of als je iets niet snapt. Je mag gerust hier nog posten (zolang het over goniometrie blijft gaan). Bij vraag 2 vind ik het wel bizar dat ik iets anders uitkom dan jij en de andere forumleden. Misschien ligt het wel aan mijn rekenmachine, maar reken het misschien best toch maar even na. Oefening 5 kijk ik mogelijks morgen naar.
Wat zeggen de antwoorden achteraan je boek? Van deze oefeningen? Of staan er geen antwoorden bij deze oefeningen?
Denis