door Kalkoen » vr 01 jun 2012, 20:03
Gezien het niveau van uw vraag veronderstel ik dat je op de hoogte bent van het feit dat gesteenten -kort door de bocht- op het moment dat ze worden afgezet zich als kompasjes richten naar het heersende magnetische noorden. Dit komt doorgat ijzerhoudende mineralen zich gaan richten op zowel atomair, moleculair als op het niveau van het mineraal zelf als dit niet te groot is. Wanneer de temperatuur van de uitgevloeide of opgewarmde steen onder een bepaalde temperatuur zakt (de curie-temperatuur) of wanneer een sedimentair gesteente voldoende sterk is gecementeerd, wordt de magnetische stand van dat moment vastgehouden door de steen.
Vergelijk het een beetje alsof je de kompasnaald even laat draaien, en er daarna wat cement op giet. Zodra dat cement is uitgehard, zal die kompasnaald immer dezelfde richting aanduiden.
Wanneer men een gesteente naar boven haalt, noteert en meet men in het veld onmiddellijk op dit gesteente de originele orientatie waarop men deze steen heeft aangetroffen. Naderhand gaat men dit gesteente in een labo in een speciale kamer (volgens het principe van faraday) brengen. Men legt dan stapsgewijs magnetische velden aan rond dit gesteente, terwijl men het magnatische veld opmeet. De bedoeling is om een magnatisch veld rond het gesteente aan te leggen waardoor het originele magnetische veld volledig gecompenseerd wordt. Men gaat aldus na welk magnetisch veld er heerste op het moment dat de steen het toemalige magnetische veld heeft gelockt. Wanneer men dan de ruimtelijke orientatie heeft van de steen op het veld en uit labo de orientatie van het magnetische veld van de steen, kan men uit beide orientaties samen ruimtelijk zowel de inclinatie als de declinatie van het originele magnetische veld opmaken. Men weet bijgevolg een veldlijn die de richting aanduid waaruit het magnetische veld op dat moment kwam. Wanneer men op meerdere posities een steen van gelijke ouderdom gaat opmeten op dusdanige manier, heeft men bijgevolg meerdere vectoren, en op het kruispunt daarvan moet het magnetische noorden zich in theorie bevinden. Door zo ook gesteenten met verschillende ouderdommen (magnetische sluitingsouderdommen dus) te gaan onderzoeken, weet men op diverse tijdstippen de positie van het magnetische veld, en kan men aldus een kaart van het verloop van het magnetische veld opmaken.
Gezien het niveau van uw vraag veronderstel ik dat je op de hoogte bent van het feit dat gesteenten -kort door de bocht- op het moment dat ze worden afgezet zich als kompasjes richten naar het heersende magnetische noorden. Dit komt doorgat ijzerhoudende mineralen zich gaan richten op zowel atomair, moleculair als op het niveau van het mineraal zelf als dit niet te groot is. Wanneer de temperatuur van de uitgevloeide of opgewarmde steen onder een bepaalde temperatuur zakt (de curie-temperatuur) of wanneer een sedimentair gesteente voldoende sterk is gecementeerd, wordt de magnetische stand van dat moment vastgehouden door de steen.
Vergelijk het een beetje alsof je de kompasnaald even laat draaien, en er daarna wat cement op giet. Zodra dat cement is uitgehard, zal die kompasnaald immer dezelfde richting aanduiden.
Wanneer men een gesteente naar boven haalt, noteert en meet men in het veld onmiddellijk op dit gesteente de originele orientatie waarop men deze steen heeft aangetroffen. Naderhand gaat men dit gesteente in een labo in een speciale kamer (volgens het principe van faraday) brengen. Men legt dan stapsgewijs magnetische velden aan rond dit gesteente, terwijl men het magnatische veld opmeet. De bedoeling is om een magnatisch veld rond het gesteente aan te leggen waardoor het originele magnetische veld volledig gecompenseerd wordt. Men gaat aldus na welk magnetisch veld er heerste op het moment dat de steen het toemalige magnetische veld heeft gelockt. Wanneer men dan de ruimtelijke orientatie heeft van de steen op het veld en uit labo de orientatie van het magnetische veld van de steen, kan men uit beide orientaties samen ruimtelijk zowel de inclinatie als de declinatie van het originele magnetische veld opmaken. Men weet bijgevolg een veldlijn die de richting aanduid waaruit het magnetische veld op dat moment kwam. Wanneer men op meerdere posities een steen van gelijke ouderdom gaat opmeten op dusdanige manier, heeft men bijgevolg meerdere vectoren, en op het kruispunt daarvan moet het magnetische noorden zich in theorie bevinden. Door zo ook gesteenten met verschillende ouderdommen (magnetische sluitingsouderdommen dus) te gaan onderzoeken, weet men op diverse tijdstippen de positie van het magnetische veld, en kan men aldus een kaart van het verloop van het magnetische veld opmaken.