Gevonden: het enige bewaard gebleven document van Snellius is niet zo lang geleden vertaald van Latijn naar Duits.[
Hentschel] Snellius formuleerde zijn brekingswet ongeveer zo:
- De verhouding van de cosecans van de hoek van inval en de cosecans van de hoek van breking is constant voor een gegeven medium. De verhouding van de lengte van de werkelijke straal en de lengte van de schijnbare straal heeft dezelfde constante waarde.
- Voor water is die verhouding 3:4; voor glas 2:3.
- Daarmee kun je de maximale hoek van breking precies berekenen: in water 48° 36', in glas 41° 49'.
Het is een formulering zonder symbolen, sinussen en brekingsindex. Op het eerste gezicht lijkt het niet op de moderne formule. Er staat dat csc i : csc r = constant (csc is cosecans). Aangezien csc φ = 1 / sin φ is dat gelijkwaardig met de moderne formule, sin i / sin r = constant'.
Snellius gebruikt overigens de omgekeerde definitie van de hoek van inval en hoek van breking. Bij hem begint de invallende straal (eigenlijk een zichtlijn) in het oog Y, en bij het grensvlak gaat deze over in de gebroken straal, die eindigt in het voorwerp A. In de tijd van Snellius is die
omgekeerde richting al ouderwets, maar het helpt bij zijn verklaring.

- Snellius 1605 keer bekeken
Snellius meent dat hij zijn formule kan verklaren met een bepaalde interpretatie van het gezichtbedrog dat voorwerpen onder water hoger lijken te liggen dan in werkelijkheid. Snellius poneert (onterecht) dat er in het verlengde van de invallende straal,
verticaal boven het voorwerp A, een beeldpunt B is. Snellius poneert bovendien dat het gezichtsbedrog gekenmerkt wordt door een verkortingsfactor b/a (dat is de verhouding van de 'schijnbare straal' XB en de 'werkelijke straal' XA) die constant is, onafhankelijk van de hoek van inval. Daaruit volgt dat csc i / csc r ook constant is (csc r = a/c en csc i = b/c).
Huygens oordeelt een paar jaar later dat die verklaring niet klopt, omdat er geen beeldpunt bestaat bij lichtbreking aan een vlak oppervlak. (Slechts bij binoculaire waarnemers kun je gaan spreken over beeldpunten, en de positie van die beeldpunten is anders dan bij Snellius.)
Men had al tabellen (bladzijde 7 en verder):
Brummelen
Het blijkt dat Snellius zelf nieuwe, extra nauwkeurige, tabellen gepubliceerd heeft met de sinus, tangens en secans tot in 7 cijfers achter de komma (
deze). Hij zal dus wel apetrots zijn eigen sinustabellen gebruikt hebben bij lichtbreking.
Gevonden: het enige bewaard gebleven document van Snellius is niet zo lang geleden vertaald van Latijn naar Duits.[[url=http://link.springer.com/article/10.1007%2Fs004070000026?LI=true]Hentschel][/url] Snellius formuleerde zijn brekingswet ongeveer zo:[list]
[*]De verhouding van de cosecans van de hoek van inval en de cosecans van de hoek van breking is constant voor een gegeven medium. De verhouding van de lengte van de werkelijke straal en de lengte van de schijnbare straal heeft dezelfde constante waarde.
[*]Voor water is die verhouding 3:4; voor glas 2:3.
[*]Daarmee kun je de maximale hoek van breking precies berekenen: in water 48° 36', in glas 41° 49'.
[/list]
Het is een formulering zonder symbolen, sinussen en brekingsindex. Op het eerste gezicht lijkt het niet op de moderne formule. Er staat dat csc i : csc r = constant (csc is cosecans). Aangezien csc φ = 1 / sin φ is dat gelijkwaardig met de moderne formule, sin i / sin r = constant'.
Snellius gebruikt overigens de omgekeerde definitie van de hoek van inval en hoek van breking. Bij hem begint de invallende straal (eigenlijk een zichtlijn) in het oog Y, en bij het grensvlak gaat deze over in de gebroken straal, die eindigt in het voorwerp A. In de tijd van Snellius is die [url=http://en.wikipedia.org/wiki/Emission_theory_(vision)]omgekeerde richting[/url] al ouderwets, maar het helpt bij zijn verklaring.
[attachment=0]Snellius.png[/attachment]
Snellius meent dat hij zijn formule kan verklaren met een bepaalde interpretatie van het gezichtbedrog dat voorwerpen onder water hoger lijken te liggen dan in werkelijkheid. Snellius poneert (onterecht) dat er in het verlengde van de invallende straal, [i]verticaal[/i] boven het voorwerp A, een beeldpunt B is. Snellius poneert bovendien dat het gezichtsbedrog gekenmerkt wordt door een verkortingsfactor b/a (dat is de verhouding van de 'schijnbare straal' XB en de 'werkelijke straal' XA) die constant is, onafhankelijk van de hoek van inval. Daaruit volgt dat csc i / csc r ook constant is (csc r = a/c en csc i = b/c).
Huygens oordeelt een paar jaar later dat die verklaring niet klopt, omdat er geen beeldpunt bestaat bij lichtbreking aan een vlak oppervlak. (Slechts bij binoculaire waarnemers kun je gaan spreken over beeldpunten, en de positie van die beeldpunten is anders dan bij Snellius.)
[quote]Men had al tabellen (bladzijde 7 en verder): [url=http://assets.press.princeton.edu/chapters/s9834.pdf]Brummelen[/url] [/quote]
Het blijkt dat Snellius zelf nieuwe, extra nauwkeurige, tabellen gepubliceerd heeft met de sinus, tangens en secans tot in 7 cijfers achter de komma ([url=http://hdl.handle.net/2027/ucm.5326624232?urlappend=%3Bseq=282]deze[/url]). Hij zal dus wel apetrots zijn eigen sinustabellen gebruikt hebben bij lichtbreking.