door Ensiferum » za 11 jan 2014, 16:26
Benm schreef: ↑di 31 dec 2013, 02:10
Anderzijds begrijp ik ook dat het een situatie is die gemeten is in een stabiel bos. Stel dat je een flink aantal hoge bomen zo omzagen waardoor een lichte plek op de grond ontstaat, kan ik dan aannemen dat het anders ligt, en het mogelijk zo is dat jonge exemplaren van hoog groeiende bomen dan wel sneller groeien vergeleken met soorten die normaal niet erg hoog worden? Waardoor in principe de normale situatie herstelt waarbij de hoog groeiende soorten het licht weer afschermen voor de rest als ze hun volle hoogte eenmaal bereikt hebben?
De trade-off waar ze het in dit artikel over hebben is deze tussen het vangen van licht en het gebruiken van licht. Ze vonden dat in een bos als datgene dat ze bestudeerd hebben, de hoger groeiende soorten beter en meer licht konden vangen, maar hier niet zo efficiënt mee omspringen. Bijgevolg krijg je een soort niche-differentiatie en kun je dus additieve effecten krijgen bij interacties tussen soorten, die het samen kunnen voortbestaan van soorten (deels) zouden kunnen verklaren. Competitie tussen soorten is immers niet meer absoluut. Ze geven allerlei mechanismen waarom schaduw niet per se slecht hoeft te zijn voor eender welke soort die hier onder te lijden heeft.
Het gaat hier om een zekere aanpassing aan het leven in schaduw. Soorten zijn hier wel vaak een beetje flexibel in, i.e. ze kunnen hun respons op licht moduleren naargelang de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Maar de flexibiliteit binnen een soort is niet vergelijkbaar met de adaptieve verschillen tussen soorten. Als je zo'n gat in het kronendak slaat, kan je dus verwachten dat soorten die aangepast zijn aan het omgaan met hoge pulsen van licht (en nutriënten) hier het sterkst op reageren en inderdaad veel sneller zullen groeien. Dat zullen algemeen wel de hogere soorten zijn. Maar het kunnen ook kleinere soorten zijn, zelfs kruidachtigen zoals varens. Deze soorten exploderen als ze zo'n plotse toename van licht en nutriënten opmerken en kunnen op korte tijd zoveel inpalmen dat hoogtegroei van bomen niet eens aan de orde komt de eerste jaren.
Soorten die beter om kunnen met schaduw en nutriëntenschaarste gaan hier niet wild van worden. Zij hebben weinig voordelen aan een grotere beschikbaarheid van deze grondstoffen en vaak zelfs nadelen.
Aan jullie vragen kan ik zelf nog wat vragen toevoegen. Namelijk: Hoe hebben ze de gewichtstoename van de bomen gemeten?
Technisch gezien vind ik dat een uitdaging. Een grote levende boom graaf je niet zomaar even uit om die op verschillende momenten te wegen. Wellicht hebben ze het gewicht afgeleid door de omtrek van de takken te meten? Maar welke takken dan, en hoe weet je het begingewicht?
En wat meten ze precies? Wat is biomassa? Is dat het gewicht in droge stof? Of gewoon het gewicht van de boom? In het laatste geval zal een boom die veel waterige cellen maakt, de indruk wekken efficiënter lichtenergie vast te leggen, dan een boom die veel hout bevattende cellen maakt.
Biomassa en volume van bomen wordt typisch gemodelleerd op basis van diameter op ca. 1.3m hoogte, omdat dit ruim de eenvoudigste en toch nog steeds relevante meetwaarde is. Andere meetwaarden kunnen hier nog aan toegevoegd worden, zoals in dit geval de hoogte en de houtdensiteit. De machtsrelatie tussen biomassa en diameter (BM=a.d^b) is vaak waanzinnig accuraat. Dit model kun je dan fitten door een paar bomen met verschillende diameter te oogsten.
[quote='Benm' time='1388452229' post_id='984128']
Anderzijds begrijp ik ook dat het een situatie is die gemeten is in een stabiel bos. Stel dat je een flink aantal hoge bomen zo omzagen waardoor een lichte plek op de grond ontstaat, kan ik dan aannemen dat het anders ligt, en het mogelijk zo is dat jonge exemplaren van hoog groeiende bomen dan wel sneller groeien vergeleken met soorten die normaal niet erg hoog worden? Waardoor in principe de normale situatie herstelt waarbij de hoog groeiende soorten het licht weer afschermen voor de rest als ze hun volle hoogte eenmaal bereikt hebben?
[/quote]
De trade-off waar ze het in dit artikel over hebben is deze tussen het vangen van licht en het gebruiken van licht. Ze vonden dat in een bos als datgene dat ze bestudeerd hebben, de hoger groeiende soorten beter en meer licht konden vangen, maar hier niet zo efficiënt mee omspringen. Bijgevolg krijg je een soort niche-differentiatie en kun je dus additieve effecten krijgen bij interacties tussen soorten, die het samen kunnen voortbestaan van soorten (deels) zouden kunnen verklaren. Competitie tussen soorten is immers niet meer absoluut. Ze geven allerlei mechanismen waarom schaduw niet per se slecht hoeft te zijn voor eender welke soort die hier onder te lijden heeft.
Het gaat hier om een zekere aanpassing aan het leven in schaduw. Soorten zijn hier wel vaak een beetje flexibel in, i.e. ze kunnen hun respons op licht moduleren naargelang de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Maar de flexibiliteit binnen een soort is niet vergelijkbaar met de adaptieve verschillen tussen soorten. Als je zo'n gat in het kronendak slaat, kan je dus verwachten dat soorten die aangepast zijn aan het omgaan met hoge pulsen van licht (en nutriënten) hier het sterkst op reageren en inderdaad veel sneller zullen groeien. Dat zullen algemeen wel de hogere soorten zijn. Maar het kunnen ook kleinere soorten zijn, zelfs kruidachtigen zoals varens. Deze soorten exploderen als ze zo'n plotse toename van licht en nutriënten opmerken en kunnen op korte tijd zoveel inpalmen dat hoogtegroei van bomen niet eens aan de orde komt de eerste jaren.
Soorten die beter om kunnen met schaduw en nutriëntenschaarste gaan hier niet wild van worden. Zij hebben weinig voordelen aan een grotere beschikbaarheid van deze grondstoffen en vaak zelfs nadelen.
[quote]Aan jullie vragen kan ik zelf nog wat vragen toevoegen. Namelijk: Hoe hebben ze de gewichtstoename van de bomen gemeten?
Technisch gezien vind ik dat een uitdaging. Een grote levende boom graaf je niet zomaar even uit om die op verschillende momenten te wegen. Wellicht hebben ze het gewicht afgeleid door de omtrek van de takken te meten? Maar welke takken dan, en hoe weet je het begingewicht?
En wat meten ze precies? Wat is biomassa? Is dat het gewicht in droge stof? Of gewoon het gewicht van de boom? In het laatste geval zal een boom die veel waterige cellen maakt, de indruk wekken efficiënter lichtenergie vast te leggen, dan een boom die veel hout bevattende cellen maakt.[/quote]
Biomassa en volume van bomen wordt typisch gemodelleerd op basis van diameter op ca. 1.3m hoogte, omdat dit ruim de eenvoudigste en toch nog steeds relevante meetwaarde is. Andere meetwaarden kunnen hier nog aan toegevoegd worden, zoals in dit geval de hoogte en de houtdensiteit. De machtsrelatie tussen biomassa en diameter (BM=a.d^b) is vaak waanzinnig accuraat. Dit model kun je dan fitten door een paar bomen met verschillende diameter te oogsten.