door Erik Springelkamp » vr 10 jan 2014, 17:49
Als dit huiswerkopgaven zijn dan is het droevig gesteld met het geschiedenisonderwijs in Nederland.
Wat een generaliserende, van de realiteit afgekeerde vragen!
Deze zaken verschilden aanzienlijk door de tijd en per streek, en speciaal voor Nederland zijn er streken waar het allemaal nogal anders ging dan elders.
Het is in ieder geval nodig om de Vroege Middeleeuwen te onderscheiden van de Hoge Middeleeuwen, en de verandering te onderkennen die optrad bij het vestigen van landsheerlijkheid door de hogere adel.
In de Vroege en tot in de Hoge Middeleeuwen was adel, inclusief Koning en Keizer, maar ook dikke Bisschoppen en Abten, voordurend onderweg omdat één locatie geen economische draagkracht had om een groot luxe gevolg het hele jaar door te onderhouden. In plaats van hoofdsteden zijn er dus paltsen (paleizen) voor de hele hogen of hoven, grote centrale bedrijven, waarlangs zo'n gevolg trok om telkens de voorraadkelders leeg te eten.
Aaneengesloten deelterritoria ontstaan pas later in de Middeleeuwen: de bezittingen van een heer lagen verspreid en soms zelfs door elkaar met die van andere heren. Een machtseenheid was gebaseerd op mensen, niet op landen.
Veel grotere heren hielden zich soms meer met hoge politiek - het Koningsschap of het Keizerschap - bezig dan met hun regionale bezittingen en waren daarom soms vaker in de omgeving van het hof of het leger te vinden dan op hun landgoederen.
In Noord Nederland bijvoorbeeld waren de graven afkomstig uit de hoge Saksische adel, en die lieten zich er nooit zien, waardoor op den duur de graafschap van deze gebieden effectief verloren ging, waardoor de beroemde Friese Vrijheid is ontstaan, met uitsluitend lage regionale - niet door de Koning erkende - adel. Horigheid verdween hier ook al vroeg in de Hoge Middeleeuwen.
Als dit huiswerkopgaven zijn dan is het droevig gesteld met het geschiedenisonderwijs in Nederland.
Wat een generaliserende, van de realiteit afgekeerde vragen!
Deze zaken verschilden aanzienlijk door de tijd en per streek, en speciaal voor Nederland zijn er streken waar het allemaal nogal anders ging dan elders.
Het is in ieder geval nodig om de Vroege Middeleeuwen te onderscheiden van de Hoge Middeleeuwen, en de verandering te onderkennen die optrad bij het vestigen van landsheerlijkheid door de hogere adel.
In de Vroege en tot in de Hoge Middeleeuwen was adel, inclusief Koning en Keizer, maar ook dikke Bisschoppen en Abten, voordurend onderweg omdat één locatie geen economische draagkracht had om een groot luxe gevolg het hele jaar door te onderhouden. In plaats van hoofdsteden zijn er dus paltsen (paleizen) voor de hele hogen of hoven, grote centrale bedrijven, waarlangs zo'n gevolg trok om telkens de voorraadkelders leeg te eten.
Aaneengesloten deelterritoria ontstaan pas later in de Middeleeuwen: de bezittingen van een heer lagen verspreid en soms zelfs door elkaar met die van andere heren. Een machtseenheid was gebaseerd op mensen, niet op landen.
Veel grotere heren hielden zich soms meer met hoge politiek - het Koningsschap of het Keizerschap - bezig dan met hun regionale bezittingen en waren daarom soms vaker in de omgeving van het hof of het leger te vinden dan op hun landgoederen.
In Noord Nederland bijvoorbeeld waren de graven afkomstig uit de hoge Saksische adel, en die lieten zich er nooit zien, waardoor op den duur de graafschap van deze gebieden effectief verloren ging, waardoor de beroemde Friese Vrijheid is ontstaan, met uitsluitend lage regionale - niet door de Koning erkende - adel. Horigheid verdween hier ook al vroeg in de Hoge Middeleeuwen.