Het zou helpen als je een link geeft naar dat plaatje, zodat duidelijk is wat er precies staat en in welke context.
Maar in het algemeen: wat je destijds geleerd hebt is te kort door de bocht. Prima voor in het begin op de middelbare school, maar niet het hele verhaal. Het onderscheid tussen een covalente binding en een ionbinding is niet zwart-wit. Het "plaatje" van een ionbinding is dat de elektronen in zijn geheel naar 1 van de 2 atomen zijn gegaan; daarom is Cl Cl
- geworden; en het plaatje van een covalente binding is dat de elektronen worden gedeeld tussen beide atomen.
In werkelijkheid zitten de elektronen, ook bij een ionbinding, vaak nog steeds voor een klein deel ook bij het "andere" atoom, en in een covalente binding zijn ze niet eerlijk verdeeld tussen beide atomen, maar zitten ze een beetje meer bij de ene dan bij de andere.
Welk atoom welk gedeelte van de elektronen "krijgt" wordt bepaald door
elektronegativiteit; elk element heeft een bepaalde elektronegativiteit. Hoe hoger de waarde, hoe meer een element geneigd zal zijn om aan elektronen te trekken. En voor een binding tussen 2 atomen geldt: hoe groter het verschil in elektronegativiteit, hoe meer de elektronen op 1 atoom zullen zitten, en hoe meer de binding op een ionbinding
lijkt.
Ruwweg houdt men aan dat als dat verschil groter is dan 2, er sprake is van een ionbinding. Maar dat is een kwestie van afspraak, op andere plaatsen legt men de grens bij 1.7 - nogmaals, de grens is niet zwart-wit. Hoe dan ook, bij de meeste verbindingen van een metaal en een niet-metaal is dat verschil inderdaad zo groot, en lijkt de binding meer op een ionbinding dan op een covalente binding. Vandaar dus dat het prima is om aan te leren "metaal plus niet-metaal --> zout --> ionbinding".
Maar als je in meer detail gaat kijken: Fe heeft een elektronegativiteit van 1.8, en Cl van 3.2 Het verschil is dus 1.4, volgens geen enkele definitie is het dan een "echte" ionbinding. Het ijzeratoom trekt in verhouding nog best hard aan de elektronen, en je zou het ook kunnen zien als een covalente binding. Maar let op: het is echt niet zo dat de stof FeCl
3 bestaat uit moleculen met daarin 1 Fe-atoom en 3 Cl-atomen. Als dat getekend is, is dat ronduit fout, in elke context. In FeCl
3 zitten de atomen gerangschikt in een kristalstructuur zoals je bij zouten treft.
Maar in het kader van lewiszuren is het wel belangrijk dat de binding een beetje op een covalente binding lijkt, of beter gezegd: dat het verschil in elektronegativiteit niet al te groot is. Een lewiszuur is een stof/deeltje dat een elektronenpaar kan accepteren. Daarvoor is het nodig dat het betreffende atoom (een beetje) positief geladen is, anders heeft dat elektronenpaar daar niets te zoeken. Maar het is ook nodig dat er vervolgens een beetje aan dat elektronenpaar wordt getrokken, anders is er geen binding. Je hebt dus elementen nodig met een lage, maar niet al te lage, elektronegativiteit.
Bovenstaande is overigens ook een kort-door-de-bocht-verhaal, maar voor je vraagstelling denk ik correct genoeg.
Het zou helpen als je een link geeft naar dat plaatje, zodat duidelijk is wat er precies staat en in welke context.
Maar in het algemeen: wat je destijds geleerd hebt is te kort door de bocht. Prima voor in het begin op de middelbare school, maar niet het hele verhaal. Het onderscheid tussen een covalente binding en een ionbinding is niet zwart-wit. Het "plaatje" van een ionbinding is dat de elektronen in zijn geheel naar 1 van de 2 atomen zijn gegaan; daarom is Cl Cl[sup]-[/sup] geworden; en het plaatje van een covalente binding is dat de elektronen worden gedeeld tussen beide atomen.
In werkelijkheid zitten de elektronen, ook bij een ionbinding, vaak nog steeds voor een klein deel ook bij het "andere" atoom, en in een covalente binding zijn ze niet eerlijk verdeeld tussen beide atomen, maar zitten ze een beetje meer bij de ene dan bij de andere.
Welk atoom welk gedeelte van de elektronen "krijgt" wordt bepaald door [url=https://nl.wikipedia.org/wiki/Elektronegativiteit]elektronegativiteit[/url]; elk element heeft een bepaalde elektronegativiteit. Hoe hoger de waarde, hoe meer een element geneigd zal zijn om aan elektronen te trekken. En voor een binding tussen 2 atomen geldt: hoe groter het verschil in elektronegativiteit, hoe meer de elektronen op 1 atoom zullen zitten, en hoe meer de binding op een ionbinding [i]lijkt[/i].
Ruwweg houdt men aan dat als dat verschil groter is dan 2, er sprake is van een ionbinding. Maar dat is een kwestie van afspraak, op andere plaatsen legt men de grens bij 1.7 - nogmaals, de grens is niet zwart-wit. Hoe dan ook, bij de meeste verbindingen van een metaal en een niet-metaal is dat verschil inderdaad zo groot, en lijkt de binding meer op een ionbinding dan op een covalente binding. Vandaar dus dat het prima is om aan te leren "metaal plus niet-metaal --> zout --> ionbinding".
Maar als je in meer detail gaat kijken: Fe heeft een elektronegativiteit van 1.8, en Cl van 3.2 Het verschil is dus 1.4, volgens geen enkele definitie is het dan een "echte" ionbinding. Het ijzeratoom trekt in verhouding nog best hard aan de elektronen, en je zou het ook kunnen zien als een covalente binding. Maar let op: het is echt niet zo dat de stof FeCl[sub]3[/sub] bestaat uit moleculen met daarin 1 Fe-atoom en 3 Cl-atomen. Als dat getekend is, is dat ronduit fout, in elke context. In FeCl[sub]3[/sub] zitten de atomen gerangschikt in een kristalstructuur zoals je bij zouten treft.
Maar in het kader van lewiszuren is het wel belangrijk dat de binding een beetje op een covalente binding lijkt, of beter gezegd: dat het verschil in elektronegativiteit niet al te groot is. Een lewiszuur is een stof/deeltje dat een elektronenpaar kan accepteren. Daarvoor is het nodig dat het betreffende atoom (een beetje) positief geladen is, anders heeft dat elektronenpaar daar niets te zoeken. Maar het is ook nodig dat er vervolgens een beetje aan dat elektronenpaar wordt getrokken, anders is er geen binding. Je hebt dus elementen nodig met een lage, maar niet al te lage, elektronegativiteit.
Bovenstaande is overigens ook een kort-door-de-bocht-verhaal, maar voor je vraagstelling denk ik correct genoeg.