door siep » vr 10 nov 2023, 08:52
Klopt: het linker lid = 3c is deelbaar door 3, het rechter lid = 2^n is niet deelbaar door 3, beide kunnen dus nooit gelijk zijn aan elkaar.
En het eerste deel van het bewijs:
(1) Verzaging van een plank met lengte \frac{c\cdot a}{2^n} levert 2 planken met lengte \frac{c\cdot a}{2^{n+1}}
(2) Plakken van een plank met lengte \frac{c\cdot a}{2^n} aan een plank met lengte \frac{d\cdot a}{2^m} levert een plank met lengte
\frac{c\cdot a}{2^n} + \frac{d\cdot a}{2^m} = \frac{2^m \cdot c\cdot a}{2^{n+m}} + \frac{2^n \cdot d\cdot a}{2^{n+m}}=\frac{(2^m \cdot c + 2^n \cdot d)\cdot a}{2^{n+m}}
Dus wat je ook (een eindig aantal keren) doet, de lengte van elke plank is altijd uit te drukken in de vorm \frac{c\cdot a}{2^n} voor constanten c en n.
Klopt: het linker lid = 3c is deelbaar door 3, het rechter lid = [latex]2^n[/latex] is niet deelbaar door 3, beide kunnen dus nooit gelijk zijn aan elkaar.
En het eerste deel van het bewijs:
(1) Verzaging van een plank met lengte [latex]\frac{c\cdot a}{2^n}[/latex] levert 2 planken met lengte [latex]\frac{c\cdot a}{2^{n+1}}[/latex]
(2) Plakken van een plank met lengte [latex]\frac{c\cdot a}{2^n}[/latex] aan een plank met lengte [latex]\frac{d\cdot a}{2^m}[/latex] levert een plank met lengte
[latex]\frac{c\cdot a}{2^n} + \frac{d\cdot a}{2^m} = \frac{2^m \cdot c\cdot a}{2^{n+m}} + \frac{2^n \cdot d\cdot a}{2^{n+m}}=\frac{(2^m \cdot c + 2^n \cdot d)\cdot a}{2^{n+m}}[/latex]
Dus wat je ook (een eindig aantal keren) doet, de lengte van elke plank is altijd uit te drukken in de vorm [latex]\frac{c\cdot a}{2^n}[/latex] voor constanten c en n.