Laten we veronderstellen dat een hond van x kg y g aan brokken krijgt, waarbij y = a·x+b. We weten dat y = 150 voor x = 5 en y = 225 voor x = 10. Er geldt dus dat 150 = 5a+b en 225 = 10a+b. Omdat 10a+b = 5a+b+5a en 5a+b = 150 vinden we dat 150+5a = 225, dus 30+a = 45, dus a = 15. Voor b geldt dan da...