Ik ben bezig met het doorwerken van het basisboek van Jan van de Craats en ik kwam op een voor mij nieuw begrip. Het gaat hier over het inwendig product. Ik kan de rekenopgaven wel maken, maar het begrip blijft voor mij vaag..
Stel
\(a = \begin{pmatrix} 3\\1 \end{pmatrix}\)
\(b = \begin{pmatrix} 3\\2 \end{pmatrix}\)
dan is het inwendig product gelijk aan
\(3\cdot 3 + 1\cdot 2 = 11\)
Maar wat moet ik me bij dit getal nu voorstellen?
Puzzels