De formule van French voor de grondtoon,
\( f_0 = \frac{1}{2\pi} \sqrt{\frac{3Y}{5\rho}} \frac{a}{R^2} \sqrt{1+\frac{4}{3} \left (\frac{R}{H} \right)^{4}} \) , zie
bericht 8, is rechttoe-rechtaan: als je de afmetingen a, R en H van het glas invult geeft hij de grondtoon f
0. Om de formule in de praktijk te testen bij verschillende afmetingen heb ik bij kleine en grote wijnglazen, drinkglazen, vazen, schalen en een viskom de verhouding van de (met de smartphone) gemeten grondtoon f en de berekende f
0 bepaald. Bij de berekening heb ik de schattingen van Y en ρ van French gebruikt: Y
glas = 60 GPa en ρ
glas = 3 g/cm
3.
.
Voor het meeste glaswerk blijkt de verhouding
\( \frac{f_{berekend}}{f_{gemeten}} \) tussen 1 en 0.5 te liggen. Dus f
berekend is gemiddeld te laag, maar de grootteorde is correct. In het diagram heb ik ook
aardewerken bekers en vazen toegevoegd, omdat die materialen in dit diagram weinig van glaswerk blijken af te wijken.
In de formule is a/R
2 de factor met de grootste invloed op f
0. Het vat met de laagste grondtoon (71 Hz) was een
stalen kom met een zeer kleine waarde van a/R
2, dankzij een dunne wand (0.4 mm) en een grote diameter (20 cm). Gebruiksvoorwerpen met zulke maten zullen zelden van glas gemaakt worden vanwege de breekbaarheid.
Een onzekere factor in de formule is de materiaaleigenschap √(Y/ρ), die zal afhangen van de glassoort. De schatting van French dat ρ
glas = 3 g/cm
3 is redelijk voor dure wijnglazen van loodkristalglas. Op een van de wijnglazen staat "loodkristal 24%" vermeld, maar bij de andere glazen is de glassoort onbekend. Bij goedkope glazen zal het gewoon glas zijn met een dichtheid van 2.4 g/cm
3. Voor glas ligt Y tussen 50 en 90 GPa.

- Young 5315 keer bekeken
'Ashby plot', bron: Univ. of Cambridge, link
Je hoeft niet Y en ρ allebei te kennen, alleen √(Y/ρ) is nodig in de formule. Als je √(Y/ρ) gelijkstelt aan de geluidssnelheid v
ext dan blijkt uit tabellen dat die constante voor verschillende glassoorten niet heel veel verschilt: 4,7 km/s voor loodkristalglas (zwaar flintglas) en 5,3 km/s voor kroonglas. Ook de geluidssnelheden van keramiek en metalen verschillen niet heel veel met die van glas (v
ext van brons 3,5 km/s, baksteen 3,7 km/s, marmer 3,8 km/s, staal 5 km/s), zodat je bij bekers, kommen, schalen en vazen van glas, keramiek en metaal, van gelijke afmetingen (a, R, H), ongeveer dezelfde toonhoogte mag verwachten. Die verwachting klopt met de praktijk, zowel bij pingen als bij zingen.
Zouden de meetpunten meer op een rechte lijn komen te liggen als je een "betere" waarde voor a of R gebruikt? De rand van veel wijnglazen is iets verdikt, de "lip" van het glas. Ik heb de dikte van de glaswand gebruikt voor a, en niet de lipdikte, omdat de totale massa en energie van de trillende wand groter is dan die van de lip. Ik heb nog wel getest of de lipdikte invullen voor a een beter resultaat oplevert, maar dat bleek niet het geval.
De diameter van de bovenkant van het glas is bij bolle wijnglazen kleiner dan de diameter halverwege. Ik heb de diameter van de bovenkant gebruikt voor 2R, omdat de trillingsamplitude en -energie daar het grootst is. Ik heb getest of de diameter halverwege voor 2R een beter resultaat oplevert, maar dat bleek niet het geval.
Zouden de meetpunten meer op een rechte lijn komen te liggen als je een "betere" waarde van H gebruikt? French bespreekt in zijn artikel dat H, de hoogte van het vat, in de formule eigenlijk vervangen moet worden door H*, de effectieve hoogte. Deze H* kan bepaald worden door de resonantiefrequentie te meten bij variabele waterhoogte, zoals in bericht 8. Ik heb H* op die manier gemeten bij veel van de glazen, en H* blijkt meestal ongeveer even groot te zijn als H. In de formule zit H alleen in de factor √(1 + 4/3 (R/H)
4). Bijna alle glazen zijn hoger dan breed, dus H>2R. Dan is die factor ongeveer 1 (maximaal 1.04), dus de factor kan verwaarloosd worden, en het vervangen van H door H* heeft geen effect.

- French3 5319 keer bekeken
Diagram van f en (f0/f)2 versus d/H, dus bij variabele waterhoogte. Hoe voller het glas, des te lager de toon. Het blijkt dat het knikpunt van de oranje grafieken, dat is het snijpunt van de raaklijnen van links en van rechts, meestal dichtbij d/H=1/4 ligt. Dan is het nauwelijks de moeite waard om H* te bepalen, en H daarmee te vervangen.
Zoals gezegd in bericht #8 stelt Jundt dat de exponent 4 in
\( \left( \frac{f_0}{f} \right)^2 = 1 + c \left( \frac{h}{H} \right)^{4} \) vervangen moet worden door de algemenere exponent n; waarbij n varieert tussen 3 en 7, afhankelijk van de vorm van het glas. Valt dat te controleren in mijn metingen? De exponent moet gelijk zijn aan de helling van de grafiek van
\( \log \left(\left( \frac{f_0}{f} \right)^2 - 1 \right) \) versus
\( \log \frac{h}{H} \) .

- French4 5318 keer bekeken
Er lijkt een tweedeling te zijn, de meeste glazen hebben n=4, in overeenstemming met French, en een klein aantal glazen heeft n=6. Maar twee van de vier glazen van de n=6 groep zijn cilindervormig, dus de eenvoudige regel van Jundt dat n bepaald wordt door de vorm van het glas, en dat voor cilinderglazen 3<n<5 geldt, gaat niet op.
Tenslotte de vergelijking van de boventoonreeksen van verschillende glazen, plus een glazen viskom, een metalen fietsbel, en een soepkom van aardewerk. De meeste reeksen liggen op een rechte lijn met helling 1, sommige met afwijkingen van de hoogste of de laagste boventonen.

- ping-boventonen1 5333 keer bekeken